Tagarchief: Nederlands taalbeleid

Nederlanders en Vlamingen over de Nederlandse en Vlaamse taal in “de 17 provinciën” van de VRT (Klara) en Radio 4 (Hilversum)

Nederlanders houden in het algemeen van het Belgisch Nederlands of Zuid Nederlands, wat zij “het Vlaams” plegen te noemen. Dat is hier op deze blog al enkele keren betoogd en dat was de slot conclusie die getrokken kon worden uit een 10 uur lang durende debatdag in Amsterdam, (“de 17 Provinciën,” georganiseerd door Klara, Radio 4, Vlaams cultuurhuis de Brakke Grond, en De Buren).

Ik moest wel een deel van de 10 uur missen, maar wil toch een verslag geven over het groot deel van de dag dat ik wel kon beluisteren. En wat viel op tijdens deze debatdag over “wat ons Vlamingen en Nederlanders verbindt en wat ons scheidt”? Elke controverse en negativiteit over “de Vlaamse taal” werd door de deelnemende sprekers vermeden. Lag het eraan dat het debat in Amsterdam plaatsvond of lag het aan de geselecteerde sprekers? In ieder geval ontbrak de harde, negatieve taal over “koetervlaams” en Verkavelingsvlaams” waarmee we hier in gezaghebbende Vlaamse media zo dikwijls om de oren geklopt worden. Wat een verademing!  Meer nog, sommige van de Nederlandse deelnemers bekenden open en bloot hun liefde voor “het Vlaams.”

Zo stelde Marc Reugebrink, een Vlaams auteur van Nederlandse afkomst die Belgisch staatsburger is, dat hij Vlaams spreekt; de NOS correspondent in Brussel, Joris van Poppel, had het erover dat hij Vlaamse politici in het Vlaams aansprak (maar dat hij dat Vlaams niet kon spreken op de NOS); en de Nederlandse politicus Frans Timmermans, ook Nederlands Limburger, sprak vloeiend “Vlaams,” zei hij, omdat hij als kind naar een Vlaamse lagere school was geweest (lagere school heet in Nederland basisschool).  Dat alles is opmerkelijk omdat er nog steeds enkele Vlaamse taalkundigen zijn, die het bestaan van het “Vlaams,” laat staan het Zuid Nederlands, als een bona fide variant van het Nederlands in vraag trekken. En die datzelfde Vlaams, zo geliefd bij deze Nederlanders, graag negatief reduceren tot “Verkavelingsvlaams.”  Hoe kan dat nu  dat “het Vlaams” als geaccepteerde taalvariant niet bestaat, terwijl er toch heel veel Nederlanders zijn die ervan houden?

Het meest uitgesproken was de “ode aan het Vlaams” van de Nederlandse comedienne Sanne Wallis de Vries: een Vlaamse man zegt poëtisch “ik zie u graag” wat heel wat schoner klinkt dan het Nederlandse “ik wil je aan mijn spies rijgen,” grapte ze. Ze bezong het zachte Vlaams en stelde dat als ze Vlaams hoorde, ze ook bij de spreker ervan wilde blijven. Enfin, haar stukje was een echte “tour-de-force-” en hopelijk binnenkort te bekijken online.

Daarnaast ging het debat ook over “valse vrienden,” woorden die in het Noord en Zuid Nederlands gelijk zijn maar een andere betekenis hebben. Zo had Ivo van Hove het over “op de middag” wat in Vlaanderen om 12 uur is, in Nederland ’s namiddags.  Marc Reugebrink is met een Vlaamse getrouwd, en gebruikt veel Vlaamse woorden zoals “goesting,” en hij zegt ook al “schoon” i.p.v. “mooi.” Verder had hij het erover hoe zijn vrouw hem vroeg zijn “vest” of “mantel” te halen (voor het Noord-Nederlandse “jas”) en het Noord Nederlandse “colbert” was dan weer “gilet” in het Vlaams. We zouden hier niet zoveel aandacht aan besteden, ware het niet dat ettelijke van deze woorden door Vlaamse taalkundigen gebrandmerkt werden als zijnde géén AN en dus niet wenselijk in het éne Nederlands waartoe zij het Noord en Zuid Nederlands willen reduceren (ttz een Nederlands van boven de Moerdijk met een klein beetje Belgische variatie) . Ivo van Hove, de Vlaamse regisseur die al 11 jaar in Nederland woont, had het er dan weer over dat hij het Nederlandse “leuk” zeer veel gebruikte en de Nederlandse presentatrice, Margriet Vroomans, beaamde dat “leuk” een zeer Hollands woord is.Er was ook een wat minder positieve noot: zo vond Kristien Hemmerechts dat Nederlanders wel eens de neiging hebben om over “het grappig taaltje” van de Vlamingen te spreken alsof het “Afrikaans” en geen echt Nederlands was.

Vlaams hoofdredacteur van het NRC, Peter Vandermeersch, merkte op “dat we verschillende talen” spreken. Ook deze blog stelt al enige tijd dat Nederlanders en Vlamingen verschillende taalvarianten spreken en dat het er nu maar eens gedaan mee moet zijn het steeds over “dat éne AN,” dat éne Nederlands te hebben (een legaat nog van de Taalunie uit 1980; lijkt het wel). Laten we mekaars taalvarianten accepteren zonder, zoals in het verleden, te proberen het Zuid Nederlands te marginaliseren. De goodwill is er bij alle partijen die vandaag in Amsterdam aan het woord waren. Het is nu aan de leidinggevende Vlaamse taalkundigen die indirect een achterhaald taalzuiveringsprogramma nastreven, om hun beoordelingen over het Zuid Nederlands bij te schaven en te laten rijmen met de realiteit anno 2011. Laat de 19de eeuwse opvattingen over die éne juiste (Noord) Nederlandse taal varen en ook de negatieve beeldvorming rond het Zuid Nederlands. Zolang de negatieve labels in woordenboeken, taalboeken, en taalzuiverende stijlboeken niet verdwijnen, en het Nederlandse taalbeleid in België niet wordt bijgestuurd, blijft die achterhaalde idee van dat “te vermijden” Zuid Nederlands een taai leven verderleiden.

Reacties staat uit voor Nederlanders en Vlamingen over de Nederlandse en Vlaamse taal in “de 17 provinciën” van de VRT (Klara) en Radio 4 (Hilversum)

Opgeslagen onder Uncategorized

De taalzuiverende reflex van kwaliteitskrant De Standaard: n.a.v. het woord “bureau”

Wordle: Untitled

Er zijn lezers die zich ergeren aan de taalzuiverende en soms zelfs taalpuristische tendensen van de nederlandstalige Belgische krant De Standaard. De Standaard zal niet zelden Noord-Nederlandse woordenschat gebruiken ipv een acceptabel woord uit het Zuid Nederlands, meest frappant bij woorden als jurk ipv kleed, boos ipv kwaad, huilen ipv wenen. Taalpurisme betekent zgn. “bastaardwoorden” afkomstig uit een vreemde taal wegzuiveren. In het geval van het Nederlands gaat het om de tik om bijna alles wat uit het Frans komt weg te zuiveren.  Dat de Standaard soms zo taalpuristisch optreedt, is niet onbelangrijk. Want, deze krant publiceert niet zelden opinies van enkele opiniemakers die o.i. ongedifferentieerd het belerende vingertje opsteken naar zowat alle nederlandstalige Belgen die Zuid-Nederlandse spreektaal durven te gebruiken (negatief “Verkavelingsvlaams” of “tussentaal” genoemd).

Enfin, gisteren vonden we een staaltje van die taalzuiverende en taalpuristische tendens in de Standaard. Het persbureau Belga zond een krantenartikel uit met als titel:  “Inbraak in bureau advocaat generaal in Brussels Justitiepaleis.”  Het eerder Zuid-Nederlands aandoend woord “bureau” werd in de krantenkop van Belga niet taalzuiverend vervangen door ‘kantoor.’ Verderop in de tekst van datzelfde Belga krantenartikel stond te lezen: “Onbekenden hebben ingebroken in het bureau van een advocaat-generaal bij het parket-generaal, op de derde verdieping. ”  Het artikel van persbureau Belga werd door een tiental dagbladen aangekocht en in die kranten is het woord “bureau” ongewijzigd overgenomen. De Standaard daarentegen behield enkel de bewuste krantenkop met “bureau” maar in de rest van het artikel gaat het verder over “kantoor.”  Merkwaardig, want wat De Standaard daarbij over het hoofd schijnt te zien is dat “bureau” voor bureauruimte een aanvaard AN woord is. En misschien dacht ook u dat “bureau” eigenlijk niet mag als u correct AN wil spreken?

Laat het nu een toeval zijn dat minister Inge Vervotte zondagavond te gast was bij Villa Vanthilt op de VRT en het daar tot twee maal toe ook over haar bureau ipv haar kantoor had.  Minister Vervotte gebruikte zo een gewoon AN woord, maar met een Zuid-Nederlandse klemtoon. Als bureau een correct AN woord is, waarom komen we, in de regel, het woord “kantoor” dan zowat overal tegen en “bureau” veel minder?  In het Duits bv. zegt men zonder schroom “Büro.” En in het Engels, dat zeer veel Franse woorden telt die niet weggezuiverd worden (vgl. het Engelse pleasant en het Zuid-Nederlandse plezant), bestaat het woord “bureau” naast “office.”   En niemand doet daar in die landen verder moeilijk of “taalfanatiek” over.  Niet zo in België: “kantoor” is dan ook het woord gebruikelijk in Nederland, in België kwamen “bureau” en “bureel” tot zo’n 20 jaar geleden overal voor.  In het straatbeeld zag je reclame borden voor verhuur van bureau’s of burelen. Nu zie je overwegend “kantoor.”  “Bureau” is eigenlijk een doodgewoon Zuid-Nederlands woord, en wordt in België, in tegenstelling tot in Nederland, ook voor de gebouwen gebruikt en dus niet enkel voor de bureauruimte of de schrijftafel.  Het verdwijnen van woorden als “bureau” en “bureel” is het gevolg van taalpuristische taalzuivering. En die taalzuiverende tendens om Zuid Nederlands te vervangen door woorden gebruikelijk in Nederland is, ruimer gezien, onderdeel van de pogingen om slechts één Nederlandse taal ingang te doen vinden in Nederland en België (zie elders de discussie over de taalideologie van de Taalunie).  Concreet betekent dat: als een woord als “kantoor” bij voorkeur gebruikt wordt in Nederland, dan dienen nederlandstalige Belgen zich hiernaar te schikken (met wat uitzonderingen, voor een beetje Zuid-Nederlandse “couleur locale,” zoals bv. in “straffe madammen” of “reismadam” dat onlangs opdook in Ludo Permentiers taalrubriek “Woorden Weten Alles” van de Standaard…). En met die ideologie heeft deze website een probleem, want dat betekent dat heel wat goede en correcte bovengewestelijke Zuid-Nederlandse woorden langzaam maar zeker gedoemd zijn te verdwijnen.  Ook al hecht u misschien niet aan het woord “bureau”, en dat is uw goed recht, probeert u eens een lijst te maken van alle Zuid-Nederlandse woorden die uit het straatbeeld en onze kranten geduwd worden, en dan komt u gemakkelijk aan een woordenboek vol.

Ironische voetnoot:

Wist u trouwens dat het woord “krant” dat in België het Zuid-Nederlandse woord “gazet” verdrongen heeft (dank zij het taalzuiverend taalbeleid), evenzeer als “gazet” van het Frans afkomstig is? Krant is namelijk de Noord-Nederlandse verbastering van het Franse woord “courant.” Krant mag wel, gazet niet meer, enkel nog in Gazet van Antwerpen. … Of, hoe taalzuivering en taalpurisme hoogtij vieren in het Nederlandse taalbeleid in nederlandstalig België.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

NMBS reclame over toffe botten en bomma’s, of Zuid Nederlands in Belgische reclame

Het is een trend die we al enige tijd volgen: Zuid Nederlands (Belgisch Nederlands) wordt weer meer gebruikt in reclame. Zo was er onlangs een reclame spotje van Flandria groenten op VRT waarin komkommers aangeprezen werden omdat men er schoon (ipv mooi) van wordt.  Voor de herhalingen van F. C. de Kampioenen -uit 1994, waarin Doortje en Bieke nog spontaan voortdurend “schoon” zeggen ipv “mooi” – is er een reclame spot van Belgacom waarin een man en zijn zoon op zoek zijn naar een vijs (ipv een schroef). En de NMBS heeft grote affiches hangen in trein stations waarin spreuken als “Toffe botten” en “De Bomma” prijken.

Het is blijkbaar in om Zuid-Nederlandse spreektaal te gebruiken.

Dat is opmerkelijk gezien het feit dat enkele prominente Vlaamse opiniemakers in kranten wel eens campagne voeren tegen de zogenaamde “tussentaal” en het “Verkavelingsvlaams.” Op deze blog gebruiken we die termen niet maar spreken we van Zuid-Nederlandse spreektaal en schrijftaal.

Ook de kritische website De Manke Usurpator heeft zoals onze blog vragen rond de campagne tegen het Verkavlingsvlaams. Van de manke usurpator mochten we deze foto’s lenen, gemaakt in het station van Berchem door de manke usurpator zelve:

credits: manke usurpator

credits: de manke usurpator

Nog een opmerking over deze reclame campagne van de NMBS:

het valt op dat de NMBS de reiziger met “je” ipv “u” adresseert.   Toch ervaren heel wat Belgen de directe aanspreekvorm “je”/”jij” in formele situaties, reclame en overheidsteksten, als te direct of zelfs onbeleefd.  Reclameteksten voor banken en medicamenten maken dan ook meestal gebruik van het hoffelijke “u.” Ook heel wat Nederlanders, trouwens, klagen over het verdwijnen van “u” als hoffelijkheidsvorm in Nederland.  Op Nederlandse autostrades staan er verkeersborden die de bestuurders met “je” aanspreken ipv u.

Zoals in Frankrijk en in Duitsland maken nederlandstalige Belgen en heel wat Nederlanders een strikt onderscheid tussen beleefde aanspreekvormen en informele aanspreekvormen. Dus  “u” gebruiken ze om anderen aan te spreken en “gij” en “jij” worden voorbehouden voor familie, kennissen.  “Je” altijd en overal is een verschijnsel uit marketeers Nederlands.   Het is een beetje vreemd want wie bv. een minister aanschrijft gebruikt “u”, dus waarom dan niet ook “u” gebruiken voor de doorsnee burger?

Voetnoot: de foto’s van de Manke Usurpator, met zijn commentaar, vindt u op deze link:  http://demankeusurpator.wordpress.com/2011/06/03/het-lukt-niet-aflevering-elfendertig/

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Zangeres Natalia op bezoek bij Villa Vanthilt

Wordle: Untitled

Deze zaterdag nog was zangeres Natalia “incognito” op stap met haar bruine New Foundlander in de Antwerpse Hoogstraat, gisterenavond verscheen ze met diezelfde hond op Villa Vanthilt in Dendermonde, gepresenteerd door Marcel Vanthilt.  Natalia was de vrouwelijke ster rond wie de aflevering draaide. Ze had ook gasten uitgenodigd zoals Pieter Loridon en Gabriel Rios, met wie ze een tijd terug het duet Hallelujah zong.

Ondanks de vele “leuks” die door de ether vlogen, hield Natalia goed stand in het Zuid Nederlands, gebruikte ze woorden als “plezant,” “schoon” of “bangelijk” (n.a.v. haar bangeljke vlucht in een stuntvliegtuig)en had ze het over haar kleedjes. Zoals de doorsnee vrouw in België draagt ook Natalia kleedjes, en geen “jurkjes.”

De Zuid-Nederlandse woordpret werd evenwel een heel klein beetje doorkruist door Showbizz Bart van VTM, die het bijna heel de tijd over de “leuke” “jurkjes” van Natalia, Lady Gaga en Madonna had in plaats van, zoals Natalia, gewoon kleedje te zeggen.  Is het omdat VTM door VRT en verwante opiniemakers de schuld heeft gekregen van de zgn. “verloedering” van het Nederlands (“De schuld van VTM”) dat Showbizz Bart “jurkje” zegt? We hebben het hier op onze blog al meermaals gezegd, maar doen het graag nog eens: “kleedje” is een correct Standaardnederlands woord volgens Prisma Handwoordenboek, en dus géén dialect en ook géén “verkavelingsvlaams” of “tussentaal.”  En verder: waarom hebben de meeste  presentators bij zowel VRT als VTM er zoveel moeite mee om het doodgewone spreektaalwoord “plezant” over hun lippen te brengen? Het lijkt wel of er een taboe ligt op dat doodnormale Zuid-Nederlandse woord zowel bij VRT als bij VTM.  Graag hadden we aan antwoord gekregen op de vraag: waarom eigenlijk, want plezant is een bovengewestelijk Zuid-Nederlands woord en géén dialect.  Geestig (West en Oost Vlaanderen) en plezant, je hoort die woorden zo goed als niet meer op VRT en VTM.

Bedankt alvast aan Natalia voor de promotie van Zuid-Nederlandse (Belgisch-Nederlandse) woorden op TV.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Wat is BelgischNederlands (Zuid Nederlands, Vlaams-Nederlands) en waarom is het een met verdwijnen bedreigde taalvariant?

Deze blog dateert van het jaar 2010.  Alle teksten op deze blog zijn het copyright van de auteur, B. Hanssen. Dat geldt ook voor de tekst “Red het Zuid Nederlands,” die 2011 in Knack online verscheen.

Wat doet deze blog?

Deze blog is een lobby voor de erkenning van méér Zuid Nederlands (Belgisch-Nederlandse uitdrukkingen als “goesting”) en voor de opname van méér Belgisch Nederlands (in Nederland ook Vlaams-Nederlands genoemd) in de gemeenschappelijke Nederlandse standaardtaal, of AN.  Deze blog neemt enkel taalkundige standpunten in en ijvert voor het Zuid Nederlands uit (taalkundige) liefde voor deze taalvariant. U vindt op deze blog ook tal van voorbeelden van Belgisch-Nederlandse uitdrukkingen, m.n. op deze link: https://belned.wordpress.com/belgisch-nederlands-voorbeelden/

Deze blog is niet gekant tegen het Noord Nederlands (het Nederlands gebruikt in Nederland) en wil ook niemand opleggen welke woorden hij/zij dient te gebruiken. In tegendeel, deze blog ijvert voor de gelijkwaardige behandeling en erkenning van het Noord en Zuid Nederlands. Model daarvoor zijn het Brits en het Amerikaans Engels, twee taalvarianten van het Engels die zeer grondig van mekaar verschillen, maar toch als evenwaardig worden beschouwd.

Deze blog plaatst ook kritische vraagtekens bij de negatieve beeldvorming rond de Zuid-Nederlandse spreektaal, die in de media en in taalkundige kringen niet zelden uiterst negatief als “Verkavelingsvlaams” en “tussentaal” wordt voorgesteld.

Tot slot: de teksten op deze blog zijn het copyright, © , van de auteur. Zie hierover: https://belned.wordpress.com/gebruik/

UPDATE:

In maart 2011 verscheen het Knack Vrije Tribune mijn opiniestuk “Red het Zuid Nederlands.” Dit stuk vertolkt het best de doelstellingen van deze blog en is het meest recent. De Nederlandse Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie (gevestigd in den Haag), mevrouw Linde van den Bosch, schreef  een reactie in de Knack Vrije Tribune, getiteld “Taalunie discrimineert geen Belgische woorden.” In het opiniestuk “Red het Zuid Nederlands”  staat echter niet dat de Taalunie Belgische woorden discrimineert.  Mijn opiniestuk “Red het Zuid Nederlands” onderzoekt daarentegen  de oorsprongsidee van de Nederlandse Taalunie (1980) – één gemeenschappelijke Nederlandse standaardtaal voor twee verschillende landen – en het specifieke taalbeleid in Vlaanderen, dat heel anders is dan en niet te vergelijken met het taalbeleid in Nederland.   In Vlaanderen wordt namelijk al decennia lang aan taalzuivering gedaan: het wegzuiveren van Zuid-Nederlandse of Belgisch-Nederlandse woorden.  Die taalzuivering bestond voor de Taalunie van 1980, maar gaat door in het Taalunie tijdperk, tot op de dag van vandaag, ondanks de verwijzingen naar taalvariatie.

______________________________________________________________________________________________________


 Wat is Belgisch Nederlands (Zuid Nederlands, Vlaams-Nederlands) en waarom is het bedreigd?

Belgisch Nederlands is de taalkundige term die vandaag de dag gehanteerd wordt voor Zuid Nederlands, gebruikt in Vlaanderen en België (vroeger sprak men ook van Schoon Vlaams, het Vlaams, de Vlaamse taal). Dit  in onderscheid van het Noord Nederlands, dat  gebruikt wordt in Nederland. Daarnaast spreekt men van het AN of Standaardnederlands.  De Taalunie en taalkundigen erkennen dat het Nederlands pluricentrisch is, meerdere polen heeft. Helaas blijkt in de praktijk dat het AN, de Nederlandse standaardtaal, niet enkel historisch gezien maar ook nog vandaag bij voorkeur gekleurd wordt door heel wat Noord-Nederlandse woorden en uitdrukkingen, en dat het Zuid Nederlands niet echt als evenwaardig  aan het Noord Nederlands wordt beschouwd. Met deze website, “Red het Belgisch Nederlands,” willen we ijveren voor de erkenning van meer Belgisch Nederlands (Zuid Nederlands) als Standaardnederlands of AN (Algemeen Nederlands). Belgisch Nederlands zou begrepen moeten worden als het Standaardnederlands zoals dat gebruikt wordt in België (Vlaanderen), in onderscheid van het Standaardnederlands gebruikt in Nederland.  Er is dus o.i. niet één algemene Nederlandse standaardtaal, maar er bestaan ten minste twee varianten van het AN: de ene gesproken en geschreven in België (Belgisch Nederlands), de andere in Nederland (Nederlands-Nederlands of, beter, Noord Nederlands). Net zoals er twee belangrijkevarianten van het Engels bestaan: het Amerikaans Engels en het Brits Engels. Voor u verder leest: deze blog is geenszins tegen het Noord Nederlands. In tegendeel. Deze blog ijvert voor het naast elkaar bestaan van het Zuid en het Noord Nederlands, als twee gelijkwaardige taalvarianten (precies zoals het Brits en Amerikaans Engels), maar uit kritiek op de taalzuiverende praktijken (taaladviezen) tegen veel acceptabel Zuid Nederlands (denk bv. aan goesting, kleed, appelsien, en andere Zuid-Nederlandse woorden die niet als standaardtaal erkend worden).

_______________________________________________________________

Red het Zuid Nederlands

In Vlaanderen woedt er al enige tijd een verhit publiek debat over de Nederlandse standaardtaal. Zo is er is een beduidende groep van mensen die vindt dat het Standaardnederlands bedreigd wordt door de tussentaal of het Verkavelingsvlaams. Deze pool van het debat beheerst de opiniepagina’s van kwaliteitskranten en -bladen. Dat is logisch, want in deze groep zitten heel wat cultuurdragers van de standaardtaal, belangrijke opiniemakers die voor kwaliteitskranten schrijven. Tot deze groep hoort ook een enkele Nederbelg, die in zijn column graag sakkert over wat hij het “koetervlaams” noemt. Weer anderen vinden dat het goed gaat met onze Nederlandse standaardtaal en dat er geen reden tot “kankeren” is. Taal verandert, taal evolueert nu eenmaal, zoals natuurfenomenen die over ons heen trekken.

In geen van beide groepen die dit taaldebat bepalen, kan ik mij vinden. Ja, ik vind verzorgde standaardtalen uitermate belangrijk, maar, nee, ik ben niet van mening dat het goed gaat met de Nederlandse taal, als u de Zuid-Nederlandse bedoelt. Misschien is het omdat ik creatief met taal bezig ben, maar ik behoor tot de groep van ontstemden die in het taaldebat nauwelijks te horen is en zo goed als niet aan het woord komt in de media: de vrij kleine groep van klagers die treuren over de verdwijnende Zuid-Nederlandse taal. Je vindt ze bijna niet meer, die klagers. Eind jaren 60-begin jaren ’70 lieten ze wel en dikwijls van zich horen: van Gerard Walschap tot Hugo Claus en Louis Paul Boon. Na twee decennia strenge taalzuivering in Vlaanderen, betreurden deze drie zo verschillende schrijvers de uniformiteit van de Nederlandse taal en de daarmee gepaard gaande taalverarming. Vandaag hoor je soms wel eens een Vlaamse schrijver klagen, zoals recent Dimitri Verhulst, maar dan gaat het meestal om de editoriale praktijken van Nederlandse uitgeverijen, die Zuid-Nederlandse woorden schrappen, niet zozeer over de aard van het AN an sich. Verder hoor je vandaag weinig “dissenting voices,” afwijkende meningen, in de officiële pers. En de modale gebruiker van het Nederlands, die komt in de officiële media zo goed als helemaal niet aan het woord. In de plaats is er het oorverdovende lawaai van de uniformiteit: zowat alle opiniemakers zijn ervan overtuigd dat er maar één gemeenschappelijke standaard- of cultuurtaal is in Vlaanderen en Nederland en dat die nu eenmaal overwegend Noord Nederlands is, met wat ruimte voor een beetje couleur locale. Het alles overheersende taalklimaat laat het dan ook niet toe het over het verdwijnen van het Zuid Nederlands of Belgisch Nederlands te hebben. Wie dat toch wil doen, riskeert het verwijt te horen zich aan “taalprovincialisme” schuldig te maken en zich te verwijderen van het taalcosmopolitisme dat historisch gezien in het Noord Nederlands schijnt verankerd te zijn. Wie om het snel verdwijnende Zuid Nederlands treurt, is een irrationele, essentialistische, nationalistische romanticus; wie de uniformisering van het Nederlands in Vlaanderen naar Noord-Nederlands model en ten koste van het Zuid Nederlands nastreeft, is daarentegen een verlichte democraat.

Bedoeling van dit opiniestuk is de discussie over het Zuid Nederlands vanuit cultuurfilosofisch perspectief te bekijken en los te maken van die al te gemakkelijke provincialisme-cosmopolitisme tegenstelling. Door te focussen op taalkundige praktijken die nog steeds grote getalen van m.i. acceptabele Zuid-Nederlandse woorden uit onze standaardtaal houden, wordt duidelijk dat men in taalkundige kringen vasthoudt aan een concept van “algemeen Nederlands” dat juist zelf in hoge mate essentialistisch is, want vooral bepaald door het Nederlands uit Nederland. Ook al spreekt de Taalunie, het instituut ontstaan uit het culturele en talige verdrag tussen Nederland en België (1980), vandaag de dag over taalvariatie, toch hangt ze impliciet nog te dikwijls de idee van één enkele standaardtaal aan. Die standaardtaal wordt, zoals in de 19de eeuw, vooral door het Noord Nederlands gekleurd, wat anno 2011 anachronistisch en dus niet meer van deze tijd is. En ook al stellen taalkundigen dat ze zich meer inzetten voor de Belgisch-Nederlandse pool van het AN, ik wil hier argumenteren dat er aan dit essentialisme van een Noord-Nederlands gekleurde standaardtaal pas een einde kan komen, als het taboe rond de verdringing van het Zuid Nederlands uit die standaardtaal eindelijk doorbroken wordt. Dat taboe domineert niet enkel de Taalunie en taalkundige kringen, maar ook de meningen van invloedrijke Vlaamse opiniemakers.

Taalzuivering en de Taalunie

De situatie dat het Noord Nederlands de norm is voor AN is historisch gegroeid: in het België van na 1830 bestond er nu eenmaal een door het Frans verbasterd onzuiver Nederlands, zo lezen we in geschiedenissen van het Nederlands. Zelfs Conscience schreef geen fatsoenlijk en geen zuiver Nederlands, luidt het. Het Zuid Nederlands werd gezien als een opeenstapeling van dialecten, afwijkingen, bastaardwoorden en taalfouten en het was dan ook niet meer dan juist dat het Noord Nederlands ons zou redden uit die historisch gegroeide taalverloedering en dat Franse juk. Deze historisch gegroeide mythe over het onzuivere Zuid Nederlands stuurde het taalzuiverende beleid in het naoorlogse Vlaanderen: de taalnorm voor wat juist was, lag ontegensprekelijk boven de Moerdijk. “Zeg niet (Zuid Nederlands), maar wel (Noord Nederlands).” Wij hadden historisch gezien geen standaardisering meegemaakt, dus moesten we wel de Nederlandse taal uit het noorden gaan halen, klonk het. De bekendste taaltuinier, Joos Florquin, gebruikte de term Zuid Nederlands ontegenzeggelijk negatief. Niet enkel dialectwoorden, verbonden aan dorpen of beperkte regio’s werden weggezuiverd, maar ook algemene, bovengewestelijke Zuid-Nederlandse woordenschat moest eraan geloven, enkel en alleen omdat die niet in Noord Nederland gangbaar was (zo bv. het aloude Zuid-Nederlandse schoon, dat we delen met de Duitse cultuurtaal). Taalpurisme en een anti-Franse reflex speelden een belangrijke rol: terwijl het Engels voor een groot deel uit Franse leenwoorden bestaat (pleasant, pleasing van plaisant), werd het Zuid-Nederlandse plezant afgeleerd. Terwijl het in de Duitse standaardtaal “eine Tasse Kaffee” is, mocht het Zuid-Nederlandse tas niet meer. Franse leenwoorden in het Zuid Nederlands waren (en zijn) meestal fout, Noord-Nederlandse gallicismen golden (en gelden) als correct algemeen Nederlands (journaal, blessure). De Zuid-Nederlandse taalvariatie werd niet als verrijking of evenwaardige pool van het Noord Nederlands gezien, zoals het Oostenrijks Duits en het Amerikaans Engels zich als gelijken tegenover het Noord Duits of Brits Engels verhouden. Er onstond een asymmetrische verhouding, waarbij het Zuid Nederlands als afwijking van de Noord-Nederlandse norm gold. Het was een verzameling van tienduizenden te corrigeren taalfouten, “belgicismen,” die niet in de beschaafde ene cultuurtaal, het ABN, thuishoorden. Taalzuivering was het middel om het doel, de standaardisering, te bereiken: hardnekkig taalonkruid werd weggewied, via scholen, de staatsomroep, en andere media.
In 1972 stopte het taalzuiverende TV programma “Hier spreekt men Nederlands.” Maar het zou voorbarig zijn te stellen dat daarmee het tijdperk van de taalzuivering ten einde was. Het in 1980 beklonken culturele samenwerkingsverdrag tussen Nederland en Vlaanderen, de Taalunie, brak niet met deze taalzuiverende traditie maar gaf ze een ander gezicht. Het verdrag had officieel tot doel “de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin.” Maar concreet zou dit integrisme neerkomen op de inburgering van Vlamingen in de Noord-Nederlandse cultuur via de taal, die zo een gemeenschappelijke taal zou zijn. Nu spreken ook Engelsen en Amerikanen van een gemeenschappelijk Engels, Duitsers en Oostenrijkers van een gemeenschappelijke Duitse taal, maar het woord “gemeenschappelijk” in het Taalunie verdrag betekende in theorie en praktijk een Nederlands overwegend genormeerd door Noord Nederland. Die mentaliteit was ook te vinden bij prominente Vlaamse vertegenwoordigers van de Taalunie die het taalbeleid in Vlaanderen stuurden: de norm lag in Nederland en de gemeenschappelijke taal kon enkel bewaakt worden door een verdoorgedreven uniformisering (officiële naam: standaardisering) van het Nederlands via onderwijs, woordenboeken, stijlhandboeken en de media. Dit betekende niet enkel dat het Standaardnederlands in België gelijker zou worden aan dat van Nederland maar ook dat de gigantische kloof tussen standaardtaal en spreektaal (het negatieve “Schoon Vlaams”) in België zou moeten verkleind worden, naar Nederlands model. Terwijl de spreektaal van Nederlanders min of meer een informele variant van het Standaardnederlands is, bewegen de meeste Vlamingen zich tussen twee (soms drie) registers: de door de school opgelegde vooral Noord-Nederlands gekleurde standaardtaal (het jij-systeem) en de “onzuivere” spreektaal (het gij-systeem). Maar Nederlandstalige Belgen bleven hardnekkig vasthouden aan het gij-systeem, zeer tot ongenoegen van taalkundigen en opiniemakers. Dat resulteerde in het ideologisch gekleurde debat rond “Verkavelingsvlaams,” waarop ik op deze plek niet verder kan ingaan.

Pas eind jaren ’80, begin jaren ’90 ontstond er bij de Taalunie ruimte voor discussie over taalvariatie. De Taalunie en de ermee verbonden taalkundigen evolueerden zo mee met de economische en staatkundige veranderingen in België, stellen ze, en de groei van wat zij een nieuw taalbewustzijn bij Vlamingen noemen. Woordenboekmakers vervingen het vroeger negatief bedoelde “belgicisme” door het regiolabel “Belgisch Nederlands” en er kwam een regiolabel voor woorden uit Nederland: het pleonastische “Nederlands Nederlands.” Taalkundigen hadden het nu over een beperkte “standaardtaal in België,” naast de algemene standaardtaal en specifiek Nederlandse standaardwoorden (doei). Prisma woordenboek publiceerde in 2009 een pocketwoordenboek Nederlands speciaal voor België. Van Dale kondigde aan dat het de Dikke Van Dale zou “vervlaamsen,” om van het imago van “Hollands” woordenboek af te geraken. Momenteel wordt er aan die volgende editie, waarin meer Belgisch-Nederlandse woorden zullen voorkomen, gewerkt. In 2008 nam de Taalunie afstand van het vroegere “integristische” model uit het verdag van 1980, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat het doel “taalenheid” was, terwijl men nu wilde focussen op de taalgebruiker en taalvariatie. Zo wordt dan ook in taalkundige middens in Vlaanderen en Nederland met grote trom het einde van het vroegere “hollandocentrisme” aangekondigd.

Maar het is juist deze these die ik wil tegenspreken. Mijn eigen engagement voor dat Zuid Nederlands is gedreven, niet door nationalistische laat staan “anti-Hollandse” sentimenten. Wel door liefde voor de taal en een internationaal georiënteerde blik. Die toont dat we nog steeds met een historisch achterhaald taalapparaat en taalbeleid te maken hebben, in zoverre het verankerd blijft in het oude taalimperialisme. Nog steeds is het Zuid Nederlands niet evenwaardig aan het Noord Nederlands en blijft het asymmetrische model verderwerken in een multiculturele, postmoderne samenleving. Zij die de pure norm nog nastreven, spreken van een gevaarlijk sociolinguïstisch model, waarbij te veel taalvariatie normering bedreigt. Daarbij is het juister te spreken van een cultuurfilosofisch model: vanuit cultuurfilosofisch zichtpunt zijn talen evenwaardig en asymmetrische modellen, zoals dat tussen het Noord- en Zuid Nederlands, zijn de legaten van een taalimperialistische traditie, of die nu naar het 18de-eeuwse Frans cultuurimperialisme of de Britse koloniale taalplanning van de 19de eeuw gemodelleerd is. De oude taalpuristische, anti-Franse en anti-Zuid-Nederlandse reflex, gegroeid uit de hang naar een puur, zuiver Nederlands, is dan ook volledig achterhaald in een geglobaliseerde wereld waarin het Nederlands verengelst is en waarin Arabische woorden de jongerentaal doorspekken. De BBC heeft al jaren geleden het door regionale en klassensystemen bepaald RP Engels en Queen’s English opgegeven: Schotse, Ierse, Zuid-Aziatische tongvallen en andere regionale accenten worden als gelijkwaardig behandeld. The British Library organiseerde pas een tentoonstelling waarin de vele “Engelsen” democratisch naast elkaar bestaan. Ook de Nederlandse Taalunie promoot een taalvariatie beleid. Zeggen is één ding, doen een ander, want de Taalunie is namelijk de instantie die de EU erkenning van het Limburgs als streektaal uitdrukkelijk betreurt en deze stelling niet gereviseerd heeft. Meer nog, de Taalunie stak een stokje voor de erkenning van het Limburgs als streektaal in België, en blokkeerde ook de EU erkenning van het Zeeuws als streektaal. In beide gevallen beriep de Taalunie zich daarbij op zogenaamd rationele taalkundige argumentatie die eigenlijk interpretatieve gronden had: door het linguistische begrip “dialect” zo eng mogelijk te interpreteren, argumenteerde de Taalunie dat Limburgs en Zeeuws eigenlijk dialecten en geen echte streektalen zijn, ergo dat de erkenning ervan zelfs in strijd zou zijn met het handvest van de EU voor te beschermen streektalen. Deze argumentatie van de Taalunie wordt terecht betwist door de commissies die het Limburgs en het Zeeuws aan de EU voordroegen. Ook het taalbeleid in Vlaanderen, bepaald door Vlaamse vertegenwoordigers van de Taalunie, blijft zitten met relicten van het oude taalzuiveringsmodel. De negatieve beeldvorming rond Zuid Nederlands is niet verdwenen, maar heeft andere vormen aangenomen, is in een nieuw kleedje gestoken. De mentaliteit van het “manke” Zuid Nederlands blijft verderleven in de hoofden van opiniemakers die aan die beeldvorming doen en die de “spraakmakende gemeente” vormen. De geinternalizeerde zelf-censuur, waardoor nederlandstalige Belgen hun Zuid Nederlands wegzuiveren, is niet verdwenen. Ondanks verwijzingen naar taalvariatie, schrijdt de uniformisering naar Noord-Nederlands model gestaag verder, via schoolboeken, taaladviesen, stijlhandboeken, dagbladen, de media.

Kleed, of Taalzuivering in een nieuw kleedje

Dat de “boven-de-Moerdijk-is-het-beter”- regel een taai leven verderleidt, blijkt zowel uit het Vlaamse taalbeleid als uit empirische gegevens, zo kon ik in mijn onderzoek vaststellen. Wegens plaatsgebrek, kan ik dat hier enkel aan de hand van een beperkt aantal voorbeelden aantonen. Uit mijn onderzoek blijkt dat het wegzuiveren van het Zuid Nederlands niet afneemt, maar een ander gezicht heeft gekregen. De nieuwe generatie van taaladviseurs wil niet langer taalpolitie spelen maar spreekt sussende woorden, wenst niet “normatief” te zijn maar geeft slechts “advies: “Wie ben ik om u iets te verbieden,” “Zegt u maar gerust wat u wil.”

Mijn voorlopige onderzoek toont aan dat taalkundigen en woordenboekmakers slechts een vrij klein aantal trefwoorden aanvaarden als algemene standaardtaal in België. Hoe lovenswaardig Prisma’s nieuwe handwoordenboek ook is, van de 70 000 trefwoorden in Prisma 2010, zijn maar een kleine 3500 Belgisch Nederlands. Maar van die 3500 Belgisch-Nederlandse woorden zijn er een deel “slechts spreektaal,” zodat het aantal trefwoorden dat echt “standaardtaal in België” is, nog kleiner is. In de 2005 Dikke van Dale krioelt het van de Zuid-Nederlandse woorden die noch algemene standaardtaal noch standaardtaal in België zijn. We hebben voorlopig nog geen juiste cijfers over hoeveel (hoe weinig?) echte Belgisch-Nederlandse standaardwoorden in de nieuwe editie zullen staan. Toch kunnen we op basis van uitspraken en andere indicaties afleiden dat ook van Dale’s lijst van Belgische standaardwoorden relatief klein zal zijn en zeker niet recht evenredig aan de rijkdom van het Zuid Nederlands. Ambtenarentaal, namen van wetten, culinaire termen (waterzooi), technische taal gerelateerd aan beroepen (wachtdienst, rijkswacht), wat geijkte uitdrukkingen en spreekwoorden, vinden gemakkelijk hun weg naar de korte lijst van Belgische standaardwoorden. Maar grote getalen Zuid-Nederlandse woorden worden uit de standaardtaal gehouden door register- en statusbepalingen, op een wijze die uniek is voor Vlaanderen en zo niet te vinden in Nederland.

Hoe dit merkwaardige taalkundige mechanisme van uitsluiting in Vlaanderen werkt, wil ik aantonen aan de hand van twee informele woorden uit de omgangstaal, het Noord-Nederlandse “doei” en het “Zuid-Nederlandse “plezant.” “Doei” is in de 2005 Van Dale gewoon gemarkeerd als “informeel” en wordt verder door de Taaltelefoon van de Vlaamse overheid en door Nederlandse taalkundigen expliciet als standaardwoord bestempeld. Heel anders is het gesteld met het Zuid-Nederlandse “plezant,” ondanks het feit dat het in heel Vlaanderen ingeburgerd is. Plezant krijgt het label “spreektaal,” waarbij spreektaal niet (zoals bij “doei”) informele standaardtaal betekent, maar géén standaardtaal. Dat geldt voor alle Zuid-Nederlandse woorden in de 2005 Van Dale die als “slechts spreektaal” gemarkeerd zijn. Zij zijn automatisch géén standaardtaal. In de prille fases van taalzuivering noemde men niet zelden Zuid-Nederlandse woorden die weggewied moesten worden ideologisch en oneigenlijk “dialect,” ook al ging het om algemeen Zuid Nederlands (bv. het bovengewestelijke “schoon”). Vandaag functioneert het label “slechts spreektaal” in woordenboeken als Van Dale als een gelijkaardige negatieve markeerder waardoor grote getalen Zuid-Nederlandse woorden uit de standaardtaal gehouden worden, ook al gebruiken miljoenen Vlamingen ze: goesting, plezant, kleed. Erger: die statusbepaling “slechts spreektaal” is onderdeel van een verdere cirkelredenering: zijn woorden als goesting, plezant en kleed “slechts spreektaal,” dan verschijnen ze zelden of niet in zakelijk geschreven dagbladen of schoolboeken (tenzij als citaat of cursief, voor de couleur locale). Ergo maken die zogenaamde spreektaalwoorden ook geen kans om het in Van Dale tot standaardtaal te brengen, want als beschrijvend woordenboek bepaalt Van Dale wat standaardtaal is in Vlaanderen op basis van geschreven bronnen. Woorden die door het label “slechts spreektaal” uit de zakelijke of “netjes verzorgde” taal gehouden worden, komen dan ook zo goed als niet voor in het geschreven corpus dat Van Dale onderzoekt. De cirkel is zo rond. Heel anders gaat het eraan toe in Nederland waar informele taal niet automatisch gelijk is aan “geen standaardtaal.”

Dat de overgrote meerderheid van Vlamingen het Zuid-Nederlandse “kleed” gebruikt, leidt niet tot democratisering, nu het tijdperk van taalzuivering zogezegd officieel is afgelopen. Integendeel, ook al geraakt het Noord-Nederlandse jurk maar niet ingeburgerd, omdat de meeste Vlaamse vrouwen geen jurk aan hun lijf willen, toch wordt het verder van bovenaf als enige juiste standaardwoord opgelegd. Van Dale keurt het af als “geen standaardtaal,” Prisma daarentegen beschouwt kleed als een evenwaardig synoniem van jurk, zoals het inderdaad zou moeten zijn. Helaas is Van Dale gezaghebbend. Resultaat: kleed is zo goed als niet te vinden in kwaliteitskranten, laat staan schoolboeken. Democratische meerderheden werken dan ook niet in het Vlaamse taalbeleid, zoals in Nederland (“doei”), omdat men historisch gezien ervan uit gaat dat het taalgebruik van nederlandstalige Belgen gebrekkig is en omdat men met het begrip “consensus” werkt. Die consensus is niet die van het gemene, gebrekkig sprekende volk, maar de consensus van de “spraakmakende gemeente,” de cultuurdragers (taalkundigen, leraars, hoogleraren, journalisten e.a.), die hun taal verzorgen. De oude hierarchie van deskundigen die de taal beheersen en het onbeschaafde dialectsprekende volk blijft zo doorwerken, een anachronistische denkwijze in een hoog opgeleid land als België. Maar meer nog: zoals de lotgevallen van het ingeburgerde “kleed” aantonen, de beslissingen over een woord lijken soms beinvloed door willekeur, tegenstrijdigheden, zelfs ideologie. Hoe komt het namelijk dat Prisma een andere statusbepaling geeft aan kleed en het wél als synoniem van jurk aanvaardt? Belangrijker nog: waarom beschouwt Van Dale Prisma niet als onderdeel van de spraakmakende gemeente en verkiest Van Dale jurk als enige standaardwoord, door het oordeel van Prisma te negeren? Waarom keert de ideologische “boven-de-Moerdijk-is-het-beter”- regel terug in het oordeel van Van Dale? Ook het label “verouderd” wordt oneigenlijk gebruikt: betekent “archaic” in een Amerikaans woordenboek als Webster’s dat het woord zo goed als uitgestorven is (zie thou), dan wordt “verouderd” in Vlaanderen normatief gebruikt, om woorden uit te sluiten: zo labelt het VRT stijlboek, het toonaangevende referentieboek voor zowat alle redacties van Vlaamse kwaliteitskranten, het zeer courante “gans” (“heel”) als verouderd ook al is het springlevend en gebruiken massa’s nederlandstalige Belgen het, van hoogleraren tot jan en mie met de pet. Zuid Nederlands is zogezegd “ouderwets,” Noord Nederlands “modern,” zo wordt er nog te dikwijls gesuggereerd.

Hoe kunnen wij, modale woordgebruikers, ervan verzekerd zijn dat dezelfde gekleurde beslissingen geen rol spelen in andere (toekomstige) lexicale beoordelingen? Hoe onbevangen is een “spraakmakende gemeente” van leraars en taalkundigen die al decennia lang aan universiteiten en hogescholen worden opgeleid vanuit een mentaliteit dat het Zuid Nederlands hoofdzakelijk een vergaarbak van taalfouten is en dat de éne standaardtaal niet te veel belast mag worden door afwijkingen, omdat dan de goede verstaanbaarheid in het gedrang zou komen? De taaladviesdienst van de Vlaamse overheid raadt anno 2011 het gebruik van de “voorzichtigheidsregel” aan, een waarschuwing die je ook vindt op het VRT taalnet van de VRT taaladviseur: wees voorzichtig, gebruik waar mogelijk het algemeen Nederlands, en niet een gemarkeerd Nederlands, als het risico bestaat dat Nederlanders je niet kunnen begrijpen. Ook het artikel voor Belgisch Nederlands op Wikipedia zegt hetzelfde, en geeft een lange lijst van Belgisch-Nederlandse trefwoorden die allemaal fout blijken te zijn. Weliswaar staat deze algemene voorzichtigheidsregel ook vooraan in de 2005 editie van Van Dale en is hij wellicht ook voor Nederlanders bedoeld. Maar in de praktijk blijkt dat deze regel vooral in Vlaanderen een beduidende rol speelt. Alsof Nederlanders op de noordpool leven en niet zouden weten wat het Zuid-Nederlandse “kleed” betekent. En alsof Nederlanders ertegen gekant zouden zijn dat de lijst van Zuid-Nederlandse standaardwoorden wordt uitgebreid. Conversaties met gewone Nederlanders tonen in tegendeel aan dat ze helemaal niets tegen de opname van plezant, kleed, of andere typische woorden in de standaardtaal hebben.

Redactionele beslissingen van Nederlandse uitgeverijen tegen het Zuid Nederlands, zo dient gezegd te worden, zijn slechts het legaat van het hoger beschreven cultuurimperialisme. Maar ze vinden ondersteuning in een Vlaams taalbeleid dat impliciet nog de oude taaleenwording (met een klein beetje variatie) nastreeft. Als Engelsen en Amerikanen, Duitsers en Oostenrijkers elkaar verder blijven verstaan, ondanks de sterk gekleurde verschillen in hun standaardtaal varianten en in hun literatuur, zal het bij ons echt niet zo’n vaart lopen.

Plezant

Taalkundigen zeggen vandaag graag dat ze niet echt normatief optreden, maar dat wordt gelogenstraft door de weerslag die hun beleidsbeslissingen vinden in het Nederlandse onderwijs in Vlaanderen. De eindtermen voor het vak Nederlands zeggen wel dat kinderen gewezen moeten worden op taalvariatie en taalregisters, maar de idee van de betere Noord-Nederlandse norm blijft verderwerken. Leerboeken Nederlands in de lagere school bevatten heel wat Noord-Nederlands tekstmateriaal, wat zou toe te juichen zijn als het bedoeld was als verrijkend cultureel materiaal. Maar spijtig genoeg gaat het om normerend taalgebruik, “zij zeggen het beter.” Omgekeerd vind je geen aan te leren Zuid-Nederlandse woordenschat in Nederlandse schoolboeken. “Leuk” is één van de eerste woordjes die kleintjes leren in de kleuterklas, dus is het niet verwonderlijk dat leuk zo’n prominente plaats inneemt in de taal van jongeren die in het Taalunie tijdperk zijn opgegroeid. Wil ik de jongeren hun leuk afnemen? Helemaal niet. Maar waarom de negatieve statusbepaling voor plezant? Waarom kunnen de twee niet naast elkaar bestaan als standaardwoorden? Precies, omdat er maar één eenheidstaal is (met een beetje variatie, maar niet te veel).

Dat de standaardisering of uniformisering van het Nederlands in Vlaanderen verder oprukt, is ondertussen overal empirisch zichtbaar. Wie onze kwaliteitskranten dagelijks leest weet dat die vol staan van Noord-Nederlandse voorkeurwoordenschat (jammer, boos, vaak, jurk, huilen, stiekem), wat niet te betreuren zou zijn moest het niet ten koste van te vermijden Zuid-Nederlandse varianten (spijtig, kwaad, dikwijls, kleed, wenen, heimelijk) zijn. Wie naar het nieuws luistert, weet dat tram en dossier dikwijls op zijn Noord-Nederlands (“trem”) worden uitgesproken, terwijl zo’n Amerikaanse uitspraak door BBC nieuwslezers ondenkbaar zou zijn. En misschien herinnert u zich, als u iets ouder dan 30 bent, nog het moment dat u in uw informele spreektaal (dus niet in het AN maar in de omgangstaal die u met vrienden en familie spreekt) van “schoon” op “mooi” bent overgeschakeld en van “prettig,” “fijn,” of “plezant” op “leuk.” “Schoon” en “plezant” zijn op weg naar de basse classe, de onverbeterlijken die Verkavelingsvlaams blijven brabbelen, de sukkelaars die niet beter weten, de senioren die niet meekunnen met de moderniteit. Meer nog: het is niet uitgesloten dat deze woorden binnen een paar generaties verdwenen zullen zijn, nu zovele Vlamingen “mooi” en “leuk” ook in hun dialect gebruiken. Mochten die veranderingen het gevolg zijn van een spontane taalevolutie, dan zou dit heel anders zijn. Wat stoort is dat dit verdwijnen het gevolg is van een taalzuiverend taalbeleid dat in wezen nog steeds voortbestaat en nog steeds als streefdoel heeft: de eenmaking van het Nederlands ten koste van heel wat Zuid Nederlands. Niet enkel in de standaardtaal maar ook in de Zuid-Nederlandse spreektaal. Natuurlijk valt niet te ontkennen dat er heel wat Amerikaanse woorden in het hedendaags Brits Engels zitten, maar het grote verschil met Vlaanderen is dat die Amerikaanse woordenschat in Engeland niet aan Engelsen wordt opgelegd via het onderwijs, grammatica’s, taaladviesen en schoolboeken. Het Britse Engels dient niet op te gaan in het Amerikaans Engels, nu Amerika economisch en politiek dominant is.

Wil ik de klok terugdraaien? Nee. Ben ik tegen het gebruik van verzorgd Standaardnederlands? Geenszins. Maar ik geloof dat er in het AN ruimte is voor veel meer acceptabele Zuid-Nederlandse woorden dan momenteel het geval is. De aangekondigde ommezwaai in het huidige taalbeleid zal het Zuid Nederlands niet van verdwijning kunnen redden. Er is wel de hoop dat misschien een jongere generatie van taalwetenschappers meer onbevangen zal staan tegenover taalvariatie, ook de Zuid Nederlandse. Die indruk heb ik opgedaan via mijn blog “Red het Belgisch Nederlands” (https://belned.wordpress.com/ ), een soort vlugschrift dat het opnam voor het Zuid- en Belgisch Nederlands. Daarbij was ik niet steeds nauwkeurig in sommige uitspraken, bv. over het taalbeleid van de VRT taaladviseur, wat ik sindsdien heb rechtgezet op “Red het Belgisch Nederlands.” Het resultaat was een boeiende uiteenzetting met de VRT taaladviseur, andere taalbloggers en taalwetenschappers. Ook de kritiek die ik al enige tijd op de Taalunie uit, wil ik verder nuanceren om duidelijk te maken dat ik geenszins tegen haar vele belangrijke verwezenlijkingen ben, zoals daar zijn: de promotie van het Nederlands in het buitenland, Inktaap, of huis De Buren, om maar enkele voorbeelden te noemen. Toch blijft het storend dat de Nederlandse Taalunie enerzijds een meer open houding tegenover taalvariatie aankondigt, terwijl anderzijds belangrijke Vlaamse representanten van diezelfde Taalunie verder aan negatieve beeldvorming rond aspecten van het Zuid Nederlands blijven doen. Dat kan aangetoond worden n. a. v. de recente offiële reacties op de “Terug Plezant Club,” een fanclub voor het woord “plezant,” gestart door een man uit Beerse. Toen ook hij recent de Taalunie kritiseerde, volgde meteen een reactie van de Taalunie, waarin stond dat de Taalunie zeker geen taalpolitie is. En de gebruikelijke hierboven reeds geanalyseerde impliciete cirkelredenering, dat taaladviseurs plezant “niet als standaardtaal beschouwen,” omdat “het voor ‘veel mensen'”- wie zijn die ‘vele’ mensen? – “niet aanvaardbaar is in een geschreven tekst.” Enige tijd later, evenwel, schreef een prominent Vlaams woordvoerder van diezelfde Taalunie een sarcastisch opiniestuk in de Standaard, waarin voor de goede verstaander de draak werd gestoken met dat “lompe” woord “plezant” en de (lees: volkse) activist die voor het woord opkwam. Dat de Terug Plezant Club op het seniorennet gehost wordt, maakt het voor sommige taalkundigen dan ook gemakkelijk om die actie voor plezant als een “generatieconflict” aan de kant te schuiven… Maar zijn plezant, goesting, en kleed werkelijk zoveel “lomper” dan doei, hartstikke en ouwehoeren, woorden die in Nederland wél standaardtaal zijn? Gaat het hier niet veeleer om culturele vooroordelen die het Vlaamse taalbeleid mee bepalen? Het antwoord op die vraag lijkt duidelijk.

Vanzelfsprekend is er nog beter onderricht van varianten van het Standaardnederlands nodig in Vlaamse scholen, en evenzeer in Nederlandse. En vanzelfsprekend is verzorgde communicatie in het onderwijs en in de publieke ruimte een absolute noodzaak. Maar is het terecht dat de waardeoordelen en vooroordelen over Noord en Zuid Nederlands zo verschillend zijn? Het officiële beeld als zou de meerderheid van nederlandstalige Belgen afwijkend Nederlands spreken, klopt vooral voor wie het Nederlands hoofdzakelijk vanuit Noord-Nederlands perspectief blijft zien. Dat perspectief gaat op de negentiende eeuw terug. Is die zichtwijze en de ermee gepaard gaande negatieve beeldvorming van het Zuid Nederlands nog wel van deze tijd, anno 2011? Waarom blijven zovele opiniemakers strijden tegen het Verkavelingsvlaams of een rapper die een CD opneemt in het Izegems, (“Aan de haal met onze taal”), als de grondslagen van het naar het Noord Nederlands georiënteerde AN niet eerst eens grondig in vraag worden gesteld? Zou er een dergelijke kloof zijn tussen de Zuid-Nederlandse spreektaal en de officiële standaardtaal, als Nederlandse en Vlaamse beleidsmensen het naast elkaar bestaan van twee standaardvarianten van het Nederlands hadden toegestaan, zoals dat in Amerika en Engeland, of Oostenrijk en Duitsland het geval is? Eenheid in veelheid, het devies van de Taalunie, werd spijtig genoeg van in het begin te veel opgevat als éénwording. Zeggen dat die periode van éénwording voorbij is, omdat men nu de mond vol heeft van “taalvariatie,” is niet voldoende. Daarvoor is een echt grondslagendebat nodig. En de revisie van bepaalde exclusie mechanismen. Zolang de droom van dat ene, pure Nederlands uit het noorden -met een klein beetje zuidelijke variatie- blijft verderbestaan, zolang zal het Zuid Nederlands niet meer dan een afwijking van die norm blijven.

7 reacties

Opgeslagen onder Belgische uitdrukkingen, BelgischNederlands woord in de kijker, BelgischNederlandse uitdrukkingen, Uncategorized, Vlaamse uitdrukkingen